Middelburg Dronk

Seventy Seven/mooieverhalen

Henk Grool Guus de Belg Ad Meeuse Rob van Hese.jpg

Deze mooie verhalen horen bij het artikel Seventy Seven.

De Herman die Simon heette

Het waren de jaren van de lange haren, van de kleintjes pils en Willempje Parool (zie ook [1]) die zeer werd begeerd door het Brulaapje - een meisje dat bij vermeende onachtzaamheid van Willempje haar traanklieren wijd opende. We schrijven medio jaren '70, een periode waarin sommigen onder ons iedere barman Herman doopten wat weleens tot verwarring leidde. Cees Rijn had net de stamhut van Ad van de Woestijne (zie [2]) overgenomen en hij kaapte zijn tweede personeelslid - Lies was natuurlijk de eerste - tijdens een nachtelijke snack weg bij 't Eethuisje. Dat was Simon, een stamgast van Sev, die dat wel zag zitten, hoewel zijn baas Leen(dert) van Driel hem meteen de astronomische loonsverhoging van 1 gulden per uur bood. Simon en Leen gingen soms een afzakkertje halen in het legendarisch 't Pakhuis waar ze ooit een broodje rosbief uit eigen doos kochten - de even legendarische Louis Lebon (zie ook [3]) had dezelfde nacht proletarisch gewinkeld vandaar. Het was hard en vooral lang werken in 't Eethuisje dat in het weekend open bleef tot 't Sincken Tooghje dicht ging. Enfin, Simon kwam in Sev werken en was in zijn vrije tijd niet wars van een stapje buiten de deur. Er werd vaak gebiljart met Guus Usmany, Bram Metselaar en Leo Meijer (zie [4]) in De Concurent in Vlissingen waar Herman van de Woestijne achter de bar stond. Kan me ook nog herinneren dat we - Cees, Simon en ik - een keer in café Domburg waren, het domein van de ook al legendarische Herman aka Gommert, en Simon een gokje waagde op de bovenverdieping. De kast stond op geven en gaf dan ook, maar toen Simon af liet tikken - in die tijd rinkelde er nog geen pasmunt in de bak - zei een of andere Herman dat er niet werd uitbetaald. Een van ons zei toen uiterst flegmatiek: "Laten we eens kijken of deze kast ook kan vliegen" - en we maakten aanstalten om de kast ook daadwerkelijk op te pakken. Er bleek plots een vergissing in het spel, de pap werd alsnog gestort en de lucht was geklaard - in overdrachtelijke zin dan want in café Domburg was de lucht altijd zwanger van pretsigaretten en farmaceutische dromen. Simon vertrok, na de HTS te hebben afgemaakt, uit de stamhut en ging als boormeester bij de Shell werken. In het begin zagen we elkaar nog zo nu en dan in Sev - hij had nog een tijdje een appartement in Le Baron Chassé waar zijn zus en zwager sociëteit De Vergenoeging beheerden - maar na een periode over de hele wereld te hebben gewerkt kwam Simon in Aberdeen te werken waar hij trouwde en nog steeds woont. Vorig jaar zomer zag ik hem, vergezeld van zijn zoon, na jaren weer eens in de stamhut. Natuurlijk werden de oude indianenverhalen opgehaald en hij wist het nog allemaal, de Herman die Simon heette.

Eefje, bedankt!


Ergens in het roerige jaar 2006 dook ze op achter de bar van Seventy-Seven, als vrolijke en onbevangen chick, die meteen goed aanvoelde hoe je stamgasten voor je wint. Met een lach en een knipoog, natuurlijk, maar ook door gewoon hard te werken, het kroegleven op te zuigen en door niet al te gecompliceerd te doen. Eefje van den Berg had -en heeft- het allemaal in zich. Bijna 12 jaar lang voorzag ze ons van drankjes en muziek, pikante grapjes en dansjes, maar ook van een luisterend oor. En niks geen hunkering naar verre reizen en oorden: ze is toch het liefst in Middelburg, da's haar stadje. Daarmee straalde ze ook rust en stabiliteit uit, misschien wel zonder het zelf door te hebben.

Maar nu, mei 2018, kiest ze dan toch voor een andere afslag. Na al die jaren op de kroegkindertjes gepast te hebben gaat ze definitief voor een vaste baan in de échte kinderopvang. Het is haar van harte gegund, door ons allemaal, maar we gaan haar wel enorm missen. Eefje was gewoon goed. En lief. En sexy.

Zij was onze eigen Claudia Cardinale, zoals ze schitterde in Once Upon A Time In The West. De barvrouw die de spoorwerkers in de watten legde en zich niet van de wijs liet brengen door een tik op haar billen. "Just make believe it's nothing”. Dank je wel Evert! Voor alles.

Brekend Nieuws 2007: een verbouwde woonkamer


Vandaag staat mijn woonkamer in de regionale krant. Het gaat weliswaar om mijn tweede woonkamer, maar dat mag de pret niet drukken, het is toch een beetje ‘thuis’. Café Seventy-Seven. Misschien wel de donkerbruinste pijpenla van de stad. Ik kom er al meer dan 20 jaar. Dat geeft je soms wel het gevoel dat je een oude rups aan het worden bent, maar dat mag de pret niet drukken. Het is er goed. Er liggen vijf verschillende kranten en vele tijdschriften. De koffie is top. Alleen daarom al ga ik er zo graag zitten. Op het gemakje het nieuws doornemen. Ongevraagd een glaasje water met ijs erbij. Geen muziek uit de top 40 of ander gedrein. Altijd een goede balans tussen heren en dames achter de bar. Geen gezeik.

Ik heb er van 1996 tot 1998 ook nog als barman gewerkt. Dat maakt de band nog iets sterker. Je kent ieder hoekje van de kroeg, je weet hoe alles werkt. Het was een bijzondere tijd, daar achter de bar. Het opdienen van warme drankjes was niet mijn sterkste kant. Ik moest het meer hebben van muziekjes draaien, biertjes tappen en slap ouwehoeren. De avond. De nacht. Het duister. En waar de buitenstaander misschien zal denken dat er alleen maar verschillen bestaan, tussen bruin café en bibliotheek, zal ik altijd zeggen dat er verrassend veel overeenkomsten zijn. Als je iets leert achter de bar is het wel om de dialoog aan te gaan met je klanten, of je ze nu leuk vindt of niet. Die vaardigheid komt in moderne bibliotheken ook goed van pas. Seventy. Als de kroeg je een gruwel is, is die bar het zeker. Als je er van houdt zul je ook van Sev houden.

Maar waarom staan ze nu in de krant? Omdat ze een paar dagen dicht waren. LOL! Dat was wel voor het eerst in 37 jaar trouwens. In die zin was het wel nieuws inderdaad. Aanleiding: de overstap van Heineken naar Jupiler. Jupiler is met een heuse opmars bezig in de Zeeuwse hoofdstad! En die wilde verhalen? De ‘veranderingen’ waren wel gespreksstof, toegegeven. Vooral de overstap naar een ander biermerk dan toch. Speuren naar het naadje van de kous…Mooi is dan wel dat de daadwerkelijke overstap binnen vijf minuten vergeten was. Er werd alweer meteen besteld zoals dat ook gaat in de stripalbums van Erik Schreurs: “Pils zeg ik je, stinkbok!”

Toch zitten er ook wat kleine hiaatjes in het het PZC-verhaal. Die mailing is er bijvoorbeeld nooit geweest, zelfs niet via Hyves. Lekker belangrijk: De kroeg Seventy-Seven heeft geen RSS en voor de verandering kan ik nu eens zeggen dat ik daar erg blij mee ben. Het is misschien wel de enige vorm van attendering die ik ter plekke ga halen, in plaats van naar me toe laten komen.

Er zijn gelukkig ook nog dingen die ik niet te veel veranderd hoef te zien. Ook best weer een geruststelling. Toch?

Bulletje

Bulletje was eind jaren ’60 – begin jaren ‘70 een icoon in het Middelburgse drugslandschap. Altijd wat te koop, altijd aan het hosselen voor dope – altijd een aapje op zijn rug. We gaan al ver terug, Bulletje en ik, eigenlijk al van af onze kinderjaren. Allebei opgegroeid in de binnenstad, dus altijd overal met je snufferd bovenop. We kenden de verhalen over Kootje T. – een wel iets van Charley Chaplin weghebbende schlemiel die in van alles en nog wat deed – die een bijzonder passionele verhouding met zijn konijnen had. Maar dat wist natuurlijk iedereen, sommigen bezworen dat ze gezien hadden hoe hij de daad in de vensterbank van zijn huis bij het woord voegde. Hetzelfde verhaal met d'n ond van Kulderie, die had - volgens intimi - z'n zak opzie. Vraag me trouwens nu af of er een relatie bestaat tussen deze Middelburgse uitdrukking en Kulderij van het Rotterdamsche Koffijhuis aan de Kinderdijk, docht dit terzijde. We hadden veel gemeen, Bulletje en ik, onze initialen waren zelfs identiek, wat mijn moeder opzadelde met allerlei vragen over wat haar jongen nu weer had uitgevreten terwijl Bulletje de jongen in kwestie was. Zo zat hij een keer op een dak aan het Zusterplein toen de politie hem snapte. Dat voorval werd breed uitgemeten in de krant, niet in het minst om de dialoog die zich tussen hem en de politie ontspon. Op de vraag wat hij daar op dat dak deed (Peter Koelewijn heeft er toen geloof ik nog een plaatje van gemaakt) antwoordde hij dat ze verstoppertje speelden. Op de volgende vraag waar ze dan wel waren, zei Bulletje ad rem "verstopt natuurlijk". Bulletje kwam later ook in de stamhut, zeker toen zijn Scandinavische vriendin Esther er schoonmaakte, maar toen hadden de Sirenen der verdovende dingen hem al behoorlijk in de greep – daar hielp geen was in je oren meer aan. Een tijdje terug zag ik hem nog langs komen in de media bij een aan drugs gerelateerd onderwerp in, of all places, Vlissingen – hij is er nog steeds, dacht ik enigszins verbaasd; nog steeds dat aapje op zijn rug.

Foto's Bulletje


Leo Meijer

16. Lies, Leo.jpg

Leo Meijer was een stamgast van het eerste uur – je kon hem in die tijd, en ook in de jaren daarna, aan de bar schilderen met een koppeltje; bier en een jonge borrel. Ons kent ons natuurlijk, maar Leo, altijd gekleed in jeans, halve laarsjes en leren jack, speelde vaak de rol van de ietwat nurkse, snauwerige brombeer. Het werd zijn running gag, zijn visitekaartje dat hij veelvuldig afgaf, het liefst aan mensen die dit serieus namen. Leo ging in die vroege periode regelmatig om met Chris Ludekuse, Bram "metselaar" Remijnse en vooral met Guus Usmani. Guus was toen nog kapper en hij kwam ook weleens in de Blindenhoek, waar ik eind jaren ’70 een huis deelde met Herman Temmar. Guus knipte dan Herman, Ton Stanowicki en ondergetekende als vriendendienst, waarna we al snel richting stamhut togen. Die Blindenhoek was, ten opzichte van Sev, een zeer strategische locatie met betrekking tot eventuele afterparty’s; al had toen nog niemand van dat woord gehoord. Zo raakten Herman, Leo en ik in de stamhut een keer aan de praat met drie meisjes en Herman, de charmeur bij uitstek, hamelde de dames na sluit naar de Blindenhoek. Daar aangekomen zei Leo, “See you” en hij liep akelig lachend de Bogardstraat in. Een typische Leo Meijer practical joke die hij later nog meermaals in geuren en kleuren vertelde. Midden jaren ’80 woonde ik inmiddels met Astrid in de Nassaulaan en Leo op de Veersesingel. Hij had daar een huis gekocht waar eerder twee dames van de betaalde liefde in hadden gezeten. Grote ramen natuurlijk, maar ook, volgens Leo, het grootste bad van Middelburg. In die tijd kwamen we elkaar ook regelmatig tegen bij Charles en Ine die een handeltje aan huis hadden van prettige gewassen. Leo genoot er een voorkeursbehandeling, want hij was de enige voor wie de wiet werd schoongemaakt. De laatste jaren zag ik Leo nog maar sporadisch – meestal op de fiets, maar sinds Lies niet meer in Sev werkte bijna nooit meer in de stamhut. Leo was, zoals wel meer oude rupsen, een echte Lies-klant die graag nog eens wat ouwehoerde over toen een kleintje pils nog 75 cent kostte. Maar dat ik hem weinig meer zag, maakt het gemis niet minder groot. Nooit meer die grauw van “Wat mot je”, nooit meer “Ha, van Heeze” - nooit meer. See you Leo.

Rinus O.

Eind jaren ’60 migreerde Rinus van der Hooft van Terneuzen naar Middelburg. Ik ken hem in eerste instantie van het Clubhuis E.M.M. waar, naast klaverjassen en bieden (ik weet niet meer wat Rinus speelde), ook enthousiast gedronken werd. Rinus was toen onderwijzer en ik schaakte weleens met hem aan de Rouaansekaai waar hij toen op kamers woonde. Rinus had, zoals je dat wel bij meer onderwijzers ziet, de gave van het woord en maakte daar ook veelvuldig gebruik van. Ik kan me zijn verhaal over oud-klasgenote Tilly de Doelder nog goed herinneren – zij maakte later enigszins wereldvreemd furore als Mathilde Willink. Vanaf de opening van de stamhut in 1970 was Rinus meteen vaste klant en sierde hij soms het boek als Rinus O. – Konienekotje pofte ook, doch dat is een ander verhaal. In die beginjaren hing er nog een sigarettenautomaat aan de muur, gesitueerd tussen de kop van de bar en tafel 1, waar Rinus ooit eens ruggelings mee in aanraking kwam; het was maar goed dat de onverlaat die dat veroorzaakte snel opzoutte. Ik kan me ook nog goed herinneren dat hij - in het kader van vergelijkend warenonderzoek - handmatig het borstenwegen toepaste bij twee dames. Het ging erom welke boezem, het blote oog zegt ook niet alles, intrinsiek het meeste gewicht in de schaal wierp. Enfin, in dit geval betrof het een mannenhand die snel gevuld was; de dames in kwestie zagen het glimachend aan. Eenmaal de smaak te pakken van de horeca, maakte Rinus er op een gegeven moment zijn beroep van - samen met Loes Koole nam hij De Klos over. Weer een aantal jaren later gooide hij het roer volledig om en werd Pechiney zijn nieuwe werkgever. Nu Rinus alweer een tijdje met pensioen is, treffen we elkaar weleens op het terras van de stamhut. Pas nog sloot hij aan bij het herenconvent, net op het moment dat de legende van de bolle meniscus met verve werd gepraktiseerd. Rinus was niet onbekend met de legende, zoals hij ook niet onbekend is met andere legendes uit de roemruchte jaren van weleer. Daar moeten we het samen binnenkort eens duchtig over hebben onder het genot van het een of ander – een niet verteld verhaal is immers een verloren verhaal.

Een bolle meniscus

De kop van dit verhaal zou je op het verkeerde been kunnen zetten, zeker als je weleens aan een meniscus bent geopereerd bent, of, zoals een lichtelijk taalblinde stadsgenoot ooit eens muntte, aan een minister – woorden struikelen soms prettig. Maar deze meniscus is minder medisch op de hand, meer gerelateerd aan de schoonheid van een perfect ingeschonken borrel met een kop er op – Charlie weet er alles van. Toen het herenconvent gisteren deels aan de goudgele Corenwijn ging, haalde Sietze de legende van de bolle meniscus nog maar eens aan. Wellicht was het Chris Ludekuse (zie mooie verhalen bij De Lachende Vis) die de term ooit eens liet vallen en meteen een college gaf over het oppervlak van een vloeistof in een borrelglaasje dat door het effect van de oppervlaktespanning bol komt te staan – vanzelfsprekend komt daar wel enig fingerspitzengefühl aan te pas. Wanneer je op wikipedia het woord jenever opzoekt staat er o.a. het volgende: "In cafés wordt jenever traditioneel geserveerd in een borrelglas, een klein glas dat wanneer het tot de rand is gevuld ongeveer 4 cl drank bevat. Populair zijn het kelkje (een tulpvormig glas met een steeltje en een voetje), en het shot glass (een miniatuur whiskeyglas). Het is gebruikelijk om het glas zo ver te vullen dat het vloeistofoppervlak boven de rand uitsteekt: de kop of (bolle) meniscus (in Amsterdam: "een over het IJ kijkertje"). Omdat zo'n vol glas niet zonder morsen kan worden verplaatst wordt de klant eerst een leeg glas geserveerd, dat pas daarna wordt volgeschonken. De drinker neemt de eerste slok terwijl het glas op de bar of op de tafel blijft staan." Er werd gisteren door de heren nog wel een tijdje gekeken, niet over het IJ maar over de Markt, waarvan het scheiden geen sinecure is, vraag dat maar aan Sietze.

Alan Smithee

Gisteren tijdens het herenconvent op het terras van de stamhut weer eens duchtig doorgehaald en als Mr. G.B.J. Hiltermann de toestand in de wereld besproken. De wereld is klein is een vermoeiend cliché, tenzij je de omvang van die wereld benoemt en het gebied topografisch afperkt. Zoals bijvoorbeeld in de stelling: "Wie niet binnen de vesten geboren is, is geen echte Middelburger" - wat is de wereld dan toch klein. Ik ben binnen de vesten geboren en woon er nog steeds, ergo kan die stelling van harte worden onderschreven, maar een Dauwendaeler vindt het wellicht discriminatoir of poshe shit. Enfin, we hadden het dus over het warmende vuur van de binnenstad en hoe je als intimus vaak met een vingerknip doopcelen kunt lichten van het paard van Christus (dat tussen twee haakjes een ezel was) tot de beer Portugael. Het zijn van die verhalen die steevast beginnen met: "Ah die ken je wel!" en, in goed Middelburgs jargon, doorspekt zijn met uitdrukkingen als en die z'n moeder heeft kinders gekregen of z'n vader moet oom zeggen tegen de Lange Jan. Als kind begreep ik werkelijk helemaal nada van de opmerking slaapt je vader nog steeds naast je moeder?, terwijl die vraag me meer dan eens, vooral in de omgeving van morsige etablissementen, gesteld werd. Een ander raadsel uit die tijd was die ligt ook op Nieuwelandseweg, maar dat werd al snel opgelost toen ik het verband tussen locatie en (laatste) bestemming legde. We hadden het ook nog uitgebreid over de impact van social media in het algemeen en het, in mijn ogen, vluchtige en ijdele karakter van facebook in het bijzonder. Ik zit niet op peesboek en communiceer bij voorkeur middels hiëroglyfen - kortom een ouwe lul die de hete adem in de nek negeert. Ik weet wel dat die hete adem niet allemaal gebakken lucht is, maar het is vooral de kortademigheid van het medium dat me tegenstaat en die eindeloze galerij van vleesgeworden nietszeggendheid - thumbs up pal. Maar volgens Ed bezoeken er meer bezoekers middelburgdronk sinds er een facebookpagina is dus verder geen kwaad woord; de wereld is immers klein en zo leer je nog eens iets van een ander. En ach, de overtreffende trap van weten is nu eenmaal vergeten - Alan Smithee maalt er niet om.

Wittgenstein

In den beginne was er Kanaalzicht, dat slecht aangeharkte paadje van de tijd waar het proletariaat zich, soms ruw, vertrad. Het was dan ook in De Reutel dat ik begin jaren '70 Dicky leerde kennen. Die dagen werd het nog niet als overspelig ervaren wanneer je eens een keer of meer ging buurten bij Maatje in De Geere, Martha in het Centrum of Piet in Benelux. Vanuit De Reutel lag de kroeg van Piet handig op de weg terug naar Sev en op zaterdag was het bal met spetters in Benelux, dan dansten ouwe rupsen uit de buurt rond het biljart tot ze er amechtig bij neervielen. Eenmaal juni nam Dicky - zijn vader had in De Reutel de intrigerende bijnaam Sloebertje - me altijd mee naar zijn zus Lenie die toen met man Jan Bakker in De Schuur zat. Aangezien Jan Hollandse Nieuwe per vaatje inkocht, was er genoeg en na zo'n zilt intermezzo gingen we, na een korte stop bij Martha of Maatje, verder naar de Markt - een vis moet nu eenmaal zwemmen. Dicky was, volledig incongruent aan zijn korte gestalte, stukadoor en zijn stopregel was - wanneer dat zo te pas of te onpas kwam - hou je maar vast aan die kleine. Het werd pas echt goed feest in de stamhut als Dicky's tijdgenoten Bart Koster en Louis Lebon (zie Seventy_Seven/mooieverhalen) er ook waren. Dan werd er, naast een praatje voetbal (Dicky was ooit een begenadigd voetballer bij Zeelandia), steevast een aantal raadsels van de binnenstad ontraadseld en een aantal nieuwe opgevoerd. Wellicht heeft de staande uitdrukking dat slaat als kut op Dirk haar oorsprong in het Middelburgse, want Dicky nam het niet zo nauw met de taal. Naast het feit dat hij aan naamblindheid leed - wat vaak hilarische toestanden tot gevolg had - sprak hij soms in tongen die van grote schoonheid waren. Cees Rijn zal zich zeker de onnavolgbare regel Geef die twee zinks onder die kappasol ook wat te drinken van mij herinneren of tiekie, tiekie dat Dicky veelvuldig als een soort mantra hanteerde. De eerder gememoreerde naamblindheid zorgde ook weleens voor problemen als hij, in het kader van menselijke interactie, empatisch aan deze of gene vroeg hoe het toch met Anita ging, terwijl dat nu juist niet de naam van de tegenwoordige maar van de ex van de desbetreffende was. En ach, het adagium van Ludwig Wittgenstein kan dan wel Waarover men niet spreekt, daarover moet men zwijgen luiden, doch daar had Dicky weinig tot niets mee te schaften. We zien elkaar nog vrij geregeld in de stad, jammer genoeg nooit meer in de stamhut. Ik moet toch eens zien te achterhalen waar hij zijn dorst hoedt, zodat ik me, te pas en te onpas, weer eens vast kan houden aan die kleine.

Afbeeldingen Dicky


De Bolle

Niet direct een complimenteuze bijnaam zou je zo op het eerste gezicht denken en op het eerste gezicht viel dat bolle eigenlijk best wel mee. Natuurlijk had hij in den beginne een tamelijk geprononceerde bierbuik, iets wat men in het Frans embonpoint pleegt te noemen, maar hij was verre van een Michelinmannetje. Het waren de beginjaren van de stamhut toen voor sommigen de bovenwoning van Ad (De Bolle) en Wilma van de Woestijne op de zondagavond fungeerde als alternatieve huiskamer. De halve vinger van een keertje Sport in Beeld (nu Studio Sport) kijken woekerde allengs tot een hele hand. Wanneer de klok van 7 naderde besteeg een select gezelschap van intimi de nu weggeretoucheerde trap naar televisiehemel en nam, soms enigszins afgepilst, plaats op de bank – de kroeg als gezinsvervangend tehuis in optima forma. Het waren de dagen dat espresso en cappuccino voor velen nog slechts moeilijke woorden uit een ver land waren en de koffie gezet werd in 25-liter ketels – ’s ochtends te pruimen doch naarmate de dag vorderde van een steeds meer bedenkelijke kwaliteit. Maar ach, de smaak van meervoudig opgeschonken achternamiddagkoffie werd doorgaans al snel met bier weggespoeld, daar moest immers op gedronken worden. Ad dronk zijn late koffie regelmatig met een scheut Always Mellow, een whiskydochter van Lucas Bols die qua smaak niet onderdeed voor de middagtroost. Hij was ook een enthousiast kaarter en het gebeurde dan ook regelmatig dat we na de sluit nog uren aan tafel 1 gevieren zaten te bieden of klaverjassen – heb trouwens als winstpremie nog steeds een fles whisky (geen Always Mellow overigens) van Ad tegoed. Toen Cees Rijn in 1975 de stamhut overnam, vertrok Ad naar Vlissingen waar hij café De Concurrent begon en ook daar gingen hij en Wilma boven wonen. Wellicht was het gezamenlijke Sport in Beeld hem droef te moede, want de kroeg ging altijd van 18.00 tot 20.00 uur dicht – quality time voor het gezin Van de Woestijne, ook wel Van de Woeste Hoeve genoemd. Ik heb nog een zomervakantie voor De Bolle in de stamhut gewerkt voor een loon dat bestond uit de helft cash en de andere helft werd van mijn enigszins forse rekening afgeschreven – het boek van Sev was toen de registratie van een waar pofparadijs. In eerste instantie was ik aangesteld als terrasdope, doch mijn functiebeschrijving werd al snel uitgebreid. Nauwelijks in functie op mijn eerste werkdag meldde Ad dat hij bezigheden elders had en of ik maar achter de bar wilde plaatsnemen. “Je vindt het wel hè; je weet immers de weg”. Natuurlijk vond ik het en de weg weet ik nog steeds goed te vinden – het poffen heb ik inmiddels gelukkig verleerd.

Kerstavond in Middelburg

(tekst met toestemming van auteur Carla van de Merbel overgenomen uit de PZC van 21 december 2011).

Seventy PZC 22 12 2011.JPG

‘Híer is het te doen op kerstavond’ De Middelburgse horeca maakt zich op voor kerstavond: dé stapavond van het jaar in de stad. Waar elders in Zeeland veel kroegen de avond en nacht voor kerst juist dicht zijn, is het in Middelburg groot feest, op wat voor dag kerst ook valt. Veel Middelburgers die inmiddels elders wonen, komen er graag voor terug. Dé place to be is nog steeds café Seventy Seven, waar zo’n dertig jaar geleden de jaarlijkse traditie begon. Maite van Veen (25) is er klaar voor. Zaterdagavond en -nacht staat ze met zo’n zeven collega’s achter de bar in Seventy Seven (adres Markt 77, vandaar de naam). Het wordt haar eerste kerstavond. Tenminste, áchter de bar, want vanaf de andere kant heeft ze het al een keer of vijf meegemaakt. „Mijn vrienden gingen hier naar toe en ik ging mee. Híer is het te doen op kerstavond. Dan is het feest!” Het wordt hard werken, maar Maite heeft achter de bar wel de meeste ruimte. Want op kerstavond stroomt ‘de Sev’ helemaal vol. Zo’n 130 man kan erin. „’s Middags om vijf uur komen er al gasten om te zorgen dat ze een kruk hebben”, zegt Cees Rijn, sinds 1975 eigenaar van Seventy Seven. „En rond half zeven staat er buiten een lange rij.”

Rijn herinnert zich nog de jaren voor 1975, vanaf de opening van Seventy Seven in 1970. Misschien is toen de basis voor kerstavond-stapavond al wel gelegd. „In Seventy Seven was het op die avond ook altijd al leuk bezet. Na de kerkdiensten werd het dan drukker. Er kwamen in die tijd ook veel Ambonese jongeren. Die waren dan naar de kerk geweest. Netjes gekleed kwamen ze hier iedereen ‘vrolijk kerstfeest’ wensen, met een hand of een kus. Het was altijd heel gezellig en sfeervol.” Zo was het ook in de eerste jaren dat Rijn eigenaar was. Het café werd toen ook al versierd voor kerst en kerstavond verliep gezellig. Gewoon gezellig. Vanaf ongeveer 1980 werd het een jaarlijks terugkerende meer-dan-gezellige-avond. Cees Rijn: „Ik was toen een keer een paar weken voor kerst met Irving Comijs – die was hier barkeeper, hij is nu eigenaar van restaurant De Tropen – in de OK Club in Antwerpen. Daar draaide een waanzinnig goeie dj, Patrick Gypen. Hij draaide aan één stuk door hitnummers van The Police. Die kerstnacht deed Irving dat hier in de Seventy Seven. Ongeveer twintig minuten achter elkaar. Toen ging het dak eraf. Het zette de toon; daarna was het de hele avond swingen.” De avond was zo’n succes dat iedereen een jaar later terug kwam, en een jaar later weer, en nu nog. Rijn: „Het werd steeds bekender en steeds drukker. In de rest van de stad was er begin jaren tachtig nog niets. Veel café’s waren dicht op kerstavond en eerste kerstdag. Nu is alles open.

Intussen heeft elk café zijn eigen klandizie op kerstavond.” Middelburger Edwin Mijnsbergen komt al jaren op kerstavond naar Seventy Seven. „Vanaf 1985. Toen was het alleen in Seventy Seven feest. Nu is kerstavond een begrip in heel de binnenstad. Iedereen komt kijken. Je komt veel mensen van vroeger tegen. Je moet wel ouwe kleren aan, want je staat hutje-mutje en het bier vloeit rijkelijk.” Aan het eind van de nacht staat de vloer blank, zegt ook Cees Rijn. „En ik kan me nog eerste kerstdagen herinneren dat ik briefjes geld stond droog te strijken.” Kerstavond is één van de uitzonderingsavonden in het sluitingsbeleid in Middelburg. In plaats van tot twee uur mogen de ‘gewone’ café’s die nacht tot vier uur open blijven. Meer informatie over Seventy Seven en over alle andere Middelburgse horecagelegenheden op www.middelburgdronk.nl. Foto’s: Maite van Veen achter de bar in Seventy Seven.

Foto Ruben Oreel Kerstavond in Seventy Seven, waarschijnlijk begin jaren ’90, met achter de bar Nelleke Reis (links op de foto).

The usual supect

Er hing jarenlang een actiefoto van hem aan de muur in de stamhut, ongeveer tussen de ouderupsenlocatie en tafel 1. De foto toonde Henk Grool in tamelijk gevorderd stadium op de nimmer liegende schaal van Bacchus. We schrijven midden jaren ´70, de periode dat Henk al in Amsterdam woonde, doch door familiale banden nog vrij frequent naar Middelburg kwam. Hij reed dan vaak mee met visboer Cor Bosman – waar Leon Marinissen werkt - uit Monnikendam met wie hij in die tijd samen voetbalde. Henk kwam linea recta naar Sev, zette zijn tas onder de kapstok en het op een zuipen alsof ieder glas zijn laatste kon zijn. Degene die hem onderdak verschafte had ’s nachts vaak de taak hem te ontdoen van zijn contactlenzen, wat zo op het oog geen sinecure was. In het rijke fotoarchief van de stamhut is Henk meerdere malen The usual suspect naast kroegtijgers als bijvoorbeeld Guus de Belg wiens tandenborstel in korte tijd verschillende wastafels aandeed – wat zou er van Guus zijn geworden? Met Henk reisde ik ook weleens verder naast de deur, o.a. naar Vlieland en naar Parijs; dat laatste reisje staat trouwens opgetekend in mooie verhalen bij De Eendracht. Natuurlijk werden er ook tegenbezoeken gebracht – in die jaren logeerde ik geregeld bij Henk in Amsterdam en verhuisde van locatie naar locatie met hem mee. We, Gillis Poppe en ik, hebben Henk ook nog eens een bezoek gebracht toen hij aan de Geldersekade woonde; een bezoek dat om velerlei redenen legendarisch werd. Hij deelde in die tijd het op één na smalste pandje van Amsterdam met ene Jan-Jaap, een vogel met een ietwat merkwaardig drinkgedrag. Jan-Jaap had naast zich een soeppan staan waarin een liter chocolademelk gemengd met een liter Beerenburg en hij schonk herhaaldelijk in een rap tempo met een pollepel zijn glas vol – how bizar, how bizar. Die avond trokken we gevieren de stad in, doch Jan-Jaap loste de rol al in het vermaarde jazzcafé Bohemia waar hij onwakkerschudbaar aan de bar in slaap viel. Het laatste adres dat we aandeden was nachtzaak De Herberg – aan de andere kant van de Geldersekade – waar Sally, een dijk van een pot, portier was en waar iedereen halve liters Heineken of jonge borrels dronk. Henk zag daar zijn grote held Wally Tax (zanger van The Outsiders) en bietste na lang dralen een shagje en enige woorden van hem. Ik weet niet of hij dat shagje heeft laten signeren, maar wel dat hij het niet oprookte doch nog jaren als een schat bewaarde en misschien nog wel in zijn bezit heeft. Enige jaren geleden zag ik Henk plotseling terug op het terras van de stamhut; hij was in Middelburg om de 50-jarige verjaardag van Boetje Alfons te vieren. En nee, hij hoefde geen bier, want hij was met auto; hij had pas zijn rijbewijs gehaald. Jammer dat ik toen geen fototoestel bij me had, anders had nu wellicht weer een, zij het enigszins brave, foto van The usual suspect de muur tussen de ouderupsenlocatie en tafel 1 gesierd.

De Pool

We schrijven eind jaren 80, de jaren van verwondering, van pretsigaretjes en Boliviaans marspoeder – het woord koffieshop had toen slechts een square connotatie. Ik las Onechte paradijzen van Charles Beaudelaire en vond het eigenlijk best goed toeven in die onechtheid. Ik las The teachings of Don Juan: A Yaqui way of knowledge van Carlos Castaneda en nam deze wijze lessen zeer ter harte door ook eens wat peyote te proberen – Aldous Huxley was me voorgegaan en dat was toch niet direct een jongen van de straat. Er was in die tijd ook een jongen van Poolse origine, mijn vriend Ton Stanowicki met wie ik, vaak al lachkickend, menig uitstapje naar het onechte paradijs heb gemaakt. De lachkick was eigenlijk een soort relatiegeschenk dat je kreeg door grappen en grollen van gelijkgeschakelde paradijsgenoten. Ton en ik hadden een ruim repertoire, zo werden wat al te serieuze of gegeitenwollensokte bezoekers van het Schuttershof veelvuldig out of the blue overvallen met de vraag: "Ken ik u soms van een cursus?"; dat zette ze danig aan het denken, want wie had er niet op een cursus gezeten. In iedere kroeg waar planten aanwezig waren luidde de vraag steevast: "Is dat soms een yuca?"; tot genoegen en jolijt ging een achteloze passant weleens uitvoerig in op de botanische implicaties van het geslacht. Indien de weg van A naar B in de nachtelijke uren per auto werd afgelegd, kon dit op gezette tijden lang duren, aangezien we bij ieder kruispunt uitstapten om te kijken of er geen andere auto aankwam. Tijdens het haast rituele zondagavonduitstapje naar El Torro in Goes zag ik eens één van de mooiste meisjes – ze had ogen als antraciet zo donker – ooit . Toen ik vroeg wat ze wilde drinken sprak ze de historische woorden: "Doe mèh een bassen mee klonten" – een bessenjenever met ijs dus. Het is nooit iets geworden tussen ons, we hebben zelfs niet vluchtig lichaamsvloeistoffen uitgewisseld in het Vuilstraatje aldaar, maar Ton heeft nog maanden nagenoten van haar Zuid-Bevelandse dictie. Aangezien er in de stamhut niet mocht worden geblowd, verzon Ton op een achternamiddag een list. We zaten, als het ware incognito, helemaal achterin aan de bar, dronken champagne en als iemand vroeg ter gelegenheid van welk heugelijk feit, zeiden we dat we die dag allebei jarig waren; onzin natuurlijk, maar het leverde wel enige rondjes op. De list van Ton bestond uit het feit dat we tijdens de sessie af en toe een stukje rode Libanon samen met een stimorol wegkauwden. Cees, ook niet van gisteren, begreep dat er, gezien de poppetjes in onze ogen, iets niet klopte, dat het om meer ging dan ontluikend dronkenschap. Hij zette, wat hij wel meer deed, met een veelbetekenende blik het nummer Cocaïne in de versie van Eric Clapton of J.J. Cale op, maar dat werd al lachend en hoofdschuddend begroet – die avond was het nog lang onrustig in de stad.

Aage M.

Aage M Goes 1978.PNG

In het begin van de jaren 70 maakte Aage M. naam in de Nederlandse onder- en bovenwereld met zijn zogenaamde thermische lans (niet vrij van enige freudiaanse symboliek) waarmee hij zelfs de meest onkraakbare kluis wist te openen. Hij werd door sommigen gezien als een soort Robin Hood, hoewel hij in die tijd niet direct betrapt kon worden op het aanzuiveren van de noden der armen. Aage M. werd, goed gebekt als hij was, een veel en graag geziene gast in de media en tv-coryfeeën als Willem (O) Duys dongen naar zijn lans – kortom meesterkraker Aage was een Bekende Nederlander geworden voor die benaming gemeengoed werd. Jacques Cats interviewt hem in oktober 1976 voor de PZC en Aage geeft aan dat hij voor zijn rust in Zeeland is komen wonen. Hij woont dan boven de bar-dancing-discotheek ’t Con-ma-net op de Kreukelmarkt in Goes – zijn liefste wens is, zo vertelt hij in het interview, om in het pand een boetiek in kinderkleding te beginnen. Wellicht was dat een boetiek in dekmanteltjes, want nog datzelfde jaar heeft hij in Goes tevens de seksclub Pandora in de Vuilstraat – what’s in a name. Een jaar later opent hij een tweede seksclub aan het Groenewoud in Vlissingen. In 1978 haalt Aage weer volop de pers, wanneer hij wordt verdacht van antiekheling en pandbrievenzwendel – over die laatste zaak maakt hij een jaar later zelfs een plaatje, getiteld Pandbrief boogie, met Herman Brood. Aage stapte ook weleens in Middelburg en op enig moment kwam hij vergezeld van o.a. Haagse Simon (zie Haagse Simon) de stamhut binnen. Toen het gezelschap echter wilde bestellen, deelde Lies aan Haagse Simon mede dat die van haar zeker niets te drinken kreeg – Lies was bang voor niemand en als je het bij haar verbruid had, kon je het verder wel schudden. Aage besloot, na een aarzelend charmeoffensiefje, dat ze maar beter konden vertrekken – bij Lies zou zelfs zijn thermische lans tevergeefs gevlamd hebben.

(Foto: Aage Meinesz viert samen met zijn vrouw en zoontje Aage (10) in hun woning achter de sexclub Pandora, de hereniging nadat de rechtbank in Middelburg vandaag de in bewaring stelling had opgeheven.)

Sietze

Sietze Hielkema voor de stamhut, 18 juli 2012.jpg

Sietze Hielkema – een echte Fries zou je denken – is een jongen die hoorbaar uit Eindhoven komt en ooit Middelburger werd; parttime ingezetene wel te verstaan. Sietze heeft een eeuwigheid geleden de Zeevaartschool gedaan en is daarna in Middelburg in het algemeen en de stamhut in het bijzonder blijven hangen. Eerst varend op de wilde vaart maar later, en nog steeds, werkend op boorplatforms uit de kust van vooral Brazilië. Hij is een technicus pur sang, waarvan altijd enthousiast kond werd gedaan, soms zelfs tot in de ultieme gloria toe. Ken hem nu al weer zo’n twintig jaar en de drank tierde in die periode vaak zeer welig. Het begon altijd met een telefoontje: “Ja, ik ben er weer. Doen we straks een biertje” – of hij stond plotseling weer op de ouderupsenlocatie voorin alsof hij nooit was weggeweest. De vier weken dat hij dan hier was, betekende dat hier in overwegende mate Sev. Er werd gedronken op alles wat bewoog en lafenis bood, de beurskoersen werden, evenals de vrouwen, met hartstocht van commentaar voorzien - vier weken waren slechts een druppel van de zee. Hij was ook weleens een paar maanden in Middelburg, als hij mot op zijn werk had gehad en op zoek moest naar een nieuwe uitdaging - dan werd het meer dan een druppel zee, meer een mer a boire, een oceaan van dagen zonder eind. Sietze woont tegenwoordig vrijwel permanent met Tabyta en zoontje Henkie in Brazilië en wellicht is er even sprake van een periode van reflectie. Het kan ook een andere reden hebben, want hij muntte ooit eens het kernachtige aforisme: When the monkeys take over the zoo, it’s time to get out. Een paar maanden geleden was hij in Middelburg, maar ik heb hem helaas niet gezien. Hij was met Henkie en die is waarschijnlijk nog niet aan zijn horecaopvoeding toe. Doch misschien over een paar maanden, een paar jaar gaat de telefoon op een ontijdig moment en denkt deze aap: zou het kunnen… – in het missen schuilt soms een mystieke kracht.

Sjanquero troppo duro

Tegenwoordig is het ogenschijnlijk de normaalste zaak van de wereld, iemand die een Spa blauw bestelt. Een Bob waarschijnlijk – zo’n ultravrolijk type dat tijdens een tenenkrommende vrijgezellenavond het kotsbusje bestuurt – of een Anita die, footloose and free, legginggetrouw wanhopig haar lijn probeert in te tomen. Doch gedurende de jaren 70 had dergelijk drinkgedrag een volstrekt andere connotatie, een meer lacherige ondertoon, althans wat sommige waterconsumenten betreft. Wanneer de manifeste drinkers, de kroegtijgers en –tijgerinnen bij uitstek, aan de Spa zaten was er meer aan de hand. De jaren 70 schreven zonder twijfel tekst en muziek van het loflied op de promiscuïteit. Zoals Remco Campert ooit eens schreef, was het de tijd dat iedereen zoop en naaide, en dat, toen al, liefst met wisselende partners. Condooms waren dingen die kwajongens verwachtingsvol rond uitlaten van auto’s plooiden – de pil was het snoepje van de week en de meisjes gingen zingend loos. Ik logeerde eens een nachtje bij een meisje, toen plots een vriend ’s nachts door het dakraam de slaapkamer binnenkwam. Hij excuseerde zich en vertrok schielijk langs dezelfde weg die hij gekomen was – matennaaien was er niet bij in die tijd. Een andere vriend van me deed daar later ook eens een nachtje over, doch hij zat na een tijdje aan de Spa in de stamhut. Het relatiegeschenk waarmee hij was opgezadeld noemde men in die tijd ook wel een harde sjanker – ik heb me laten vertellen dat het vermeend Spaanse sjanquero troppo duro te harde sjanker betekent, maar dat kan ook venerisch klankidioom zijn - oftewel een sief of druiper. Enfin, de vriend die dus te laat de koffer deelde – laten we hem, de anonimiteit getrouw, Mr. X (2) noemen – was in menig opzicht niet voor één gat te vangen, zeker niet in overdrachtelijke zin, en hij beantwoorde de zuigende vragen over zijn afwijkende drinkgedrag ogenschijnlijk lijdzaam maar zeer to the point. “Ach”, zei hij dan enigszins meesmuilend, “Als je het niet doet, kun je het nooit meer inhalen. Maar soms, als je te laat na je beurt praat, moet je met je pisser naar dokter Visser”. (zie Mournouw).

Bolus de huishoudster

Het moet in de vroege jaren 70 geweest zijn dat hij de stamhut weleens met een bezoek vereerde. "Doe maar een serrietje Lies", zei hij dan - hij sprak de h consequent niet uit en nipte vervolgens bedachtzaam van zijn sherry - van die goedkope bocht met krans - een ritueel dat, gezien zijn zuinige afdronk, van lange duur was. Een korte, wat volslanke man met een grote uilenbril op de neusbrug, die op een onopvallende manier opvallend was. Het waren vooral zijn wat vorsende, bijziende blik en het nieuwsgierige polsen naar roddels, die zijn profiel inkleurden. Met zijn kenmerkende lijzige, hoge stem informeerde hij in plat Middelburgs naar stadsgenoten met naam en toenaam en hun eventuele zijstapjes naast het goede pad. Hij kreeg dan vaak geijkte opmerkingen voor zijn kiezen als: "Slaapt je vader nog steeds naast je moeder", of, "Die is nog stommer als het paard van Christus, en dat was een ezel" - men had het niet zo op zijn nieuwtjesjacht. Hoe hij aan de bijnaam Bolus kwam weet ik niet, maar het tweede deel is me wel bekend. Bolus was medewerker in gemeentelijke dienst en hij had een enorme witte voet bij zijn baas gehaald, wat ervoor zorgde dat zwaar werk meestal aan hem voorbij ging. Aangezien hij vaak in het gebouw waar hij werkte werd gesignaleerd met een stofdoek, hadden zijn collega's hem voorzien van de bijnaam de huishoudster, en vroegen ze hem weleens plagend of hij bij hen de vaat niet wilde komen doen. Bolus was een typische Middelburger die maar weinig buiten de gemeentegrenzen kwam. Het verhaal gaat dat hij eens, op weg naar de wijde wereld, al op de Nieuwlandseweg een auto-ongeluk kreeg en die schrik nooit meer te boven is gekomen. Hij was altijd naarstig op zoek naar een dame om het leven mee te delen; tot op de dag van heden is dat helaas niet gelukt. Hij schoof in Sev soms aan bij een gezelschap van dames en heren, doch zijn aan schichtigheid gepaarde zuinigheid leverde niet meer dan een nipje van de liefde op, een half woord soms, maar zelfs niet eens een handje en een kusje. Ik zie Bolus nog af en toe, wanneer hij met een enigszins schommelende tred - dat ongeluk wellicht - de stad doorkruist gewapend met zijn boodschappentas. Wanneer we een praatje maken, informeert hij vriendelijk naar deze of gene en zegt hij steevast toe om weer eens - for old times sake - naar de stamhut te komen. Wanneer hij na zo'n korte conversatie wegschommelt, gaat dat soms vergezeld van het licht klingelende geluid van glas-tegen-glas - ah, denk ik dan, dat zullen de serrietjes zijn.

Oom Bob

Ten gevolge van het feit dat ik vanaf mijn kinderjaren Molukse vrienden had, en nog steeds heb, raakte ik gaandeweg steeds meer geïnteresseerd in de geschiedenis van de Zuid-Molukken. Ik raakte in de ban van de prachtige verhalen die sommigen konden vertellen over de eilanden en de voorvaderen, die nog steeds een grote rol speelden, en spelen, in het leven hier in Nederland. Men voelde zich verdreven uit het paradijs, doch dat was van tijdelijke aard, want de Nederlandse regering had immers beloofd dat het verblijf hier slechts een oponthoud betrof, dat van korte duur zou zijn. Nou, dat bleek politieke fabeltaal en die postkoloniale schande is tot op de dag van heden nog steeds niet uitgewist – een Haagse variant op de ziekte van Alzheimer. Ik heb er veel over gelezen, o.a. Ambon door de eeuwen heen (1977) van Ben van Kaam, en Ambon, island of spices (1979) van Shirley Deane, die een jaar lang Engels heeft gedoceerd aan de universiteit van Ambon. Boeken, allemaal zeer interessant, maar ik leerde het meest uit de orale traditie, de verhalen van de Molukkers zelf. Van tante Aija bijvoorbeeld, de moeder van mijn vriend Junus Saija, waar ik steevast direct aan tafel werd genood – de Molukse gastvrijheid is legendarisch en de vriendschap onvoorwaardelijk. Of van Herman Temmar, de vriend met wie ik een aantal jaren een huis deelde en in 1980 naar de Zuid-Molukken reisde – als iemand in mijn nabije omgeving een kretek opsteekt, keer ik, nu nog, altijd weer een beetje terug. Oom Bob kende ik uit de wijk, maar in de jaren 70 kwam hij ook vaak in de stamhut. Een oudere man – maar in die tijd vond je al gauw iemand oud – met lang haar, vaak een baret op en vergezeld van een flesje bier. Vriendelijk en beminnelijk als hij was, maakte hij met iedereen glimlachend een praatje, en wanneer er wat wrijving ontstond, was Oom Bob er snel bij om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat gebeurde vrijwel onmiddellijk, want in de Molukse cultuur heb je respect voor de ouderen – wat men in neoconservatieve, Nederlandse kringen thans beschaving noemt is meer een gebrek aan respect, voor welke cultuur dan ook. Enfin, Oom Bob kon met iedere cultuur overweg, maar dat zijn hart in de Zuid-Molukken lag, werd glashelder toen zijn zoon in 1970 betrokken was bij de bezetting van de Indonesische residentie in Wassenaar. Toen een journalist hem vroeg of hij boos op zijn zoon was zei hij: “Nee meneer, integendeel, ik ben juist trots. Als ik zo jong was geweest had ik zelf ook meegedaan.” Het was Oom Bob ten voeten uit: vriendelijk en beleefd, doch onvoorwaardelijk zijn hart en bloed volgend. Hij is er, evenals tante Aija, niet meer, maar soms als ik een flesje bier drink in Sev, en dat gebeurt weleens, denk ik terug aan Oom Bob en, associatief, aan de rendang van tante Aija - tempo dulu.

Gilles en de Jodelaar


Gilles was een ancien van het eerste uur in de stamhut – wellicht was hij al klant bij de Bult in De Koophandel en is hij na de wisseling van de wacht gewoon klant gebleven. Enfin, Gilles was vanaf die eerste jaren zichzelf een eiland, een schuwe man die in stilte zijn biertje dronk en verder met bijna niemand communiceerde. Bijna niemand, doch wel met Lies, die hij op den duur een verlegen glimlach schonk wanneer hij met bedeesde stem nog een glas bier bestelde. Een ietwat fragiele vorm van communicatie, maar het was tenminste iets en die glimlach verbreedde zich naarmate de glazen bier toenamen. Soms probeerde men Gilles te dollen, wat beantwoord werd met een blik van een dusdanige gewijde leegheid, dat men het verder wel uit zijn hoofd liet. Over hoofden gesproken, Gilles droeg vaak iets op zijn hoofd. Tegenwoordig zie ik hem vaak lopen met een alpinopet, maar vroeger droeg hij ook weleens een hoofddeksel dat men vroeger een herenpet noemde – dat was een pet die ons zeker niet allemaal paste. Toen Edwin in Sev werkte, kwam Gilles nog regelmatig, nu slechts sporadisch, zoals een vlinder toevallig een raam binnenwaait. Edwin ziet hem tamelijk frequent in de straat en ze groeten elkaar in het voorbijgaan, zij het dat Gilles (thans ver in de zeventig) nog niets aan schuwheid heeft ingeboet. De Jodelaar (ene De Pagter, alias de Vaers, uit Koudekerke) was een tijd- en leeftijdsgenoot van Gilles, maar verre van een eiland. Hij bevond zich vrijwel altijd achterin, waar zich in de jaren 70 vaak een Koudekerkse enclave van jonge honden ophield. Die jonge honden spogen er bepaald niet in en waren aan het eind van de avond dikwijls wat moeilijk ter been, doch dit terzijde. De Pagter, altijd getooid met een karakteristiek Tiroler hoedje met een veertje erop, zocht en vond op topografische gronden anschluss (cursief) bij de enclave en had het zicht- en hoorbaar naar zijn zin. Terwijl Gilles’ glimlach steeds breder werd naarmate de glazen vorderden, projecteerde zich dit bij de Jodelaar in een toenemend stemvolume. Hij jodelde steeds harder, soms zelfs zo hard dat het de muziek overstemde. Deze mannelijke pendant van Olga Lowina deed, niet tot ieders genoegen, zijn bijnaam eer aan, maar als het Lies of Cees te veel werd, was zijn liedje uitgezongen en jodelde hij zichzelf de deur uit. Simon de Pagter wordt nog wel eens gesignaleerd bij café De Schuur. Zie de foto's aldaar.

De Dreigsuri

Zeker in de beginjaren van de stamhut werd er zo links en rechts weleens een klapje uitgedeeld. Als het kermis was, waren er vechtpartijen die men zou kunnen rubriceren onder het lemma ´hoekse en kabeljauwse twisten´ met de toevoeging ´Zeeuwse variant’. Dit betrof historische confrontaties tussen ruig vissersvolk uit het wingewest Arnemuiden en Molukse jongens die niet onwelwillend het strijdperk betraden. Het strijdperk was in die tijd vreemd genoeg vaak De Helm – waar trouwens nogal wat meisjes, bij gebrek aan een bed, een staande ovatie kregen – doch in Sev had dan het inleidende baltsgedrag plaats. Vrij naar Von Clausewitz zou je in deze kunnen stellen, dat oorlog slechts een voortzetting van de geschiedenis is met andere middelen. Later, midden jaren 70, heeft het ook nog danig gestormd tussen sommige habitués van de stamhut en Bar American . Deze stammenoorlog had meer het karakter van de strijd destijds tussen de Pleiners en de Dijkers in Amsterdam of de Mods en de Rockers in Engeland. Men zou de oorzaak nu, enigszins eufemistisch, plaatsen onder de noemer culturele verschillen met het saillante detail dat het verschil vooral gestalte kreeg in het merk brommer dat bereden werd: Puch of Tomos tegenover Zündapp of Kreidler Floret – een waarachtige parallel met de Mods en de Rockers, die zich successievelijk per scooter of motor verplaatsten. Genoemde culturele verschillen werden verleden tijd na een hartverwarmend gesprek tussen horecapatriarchen Cees Rijn en Cees Petiet. Het gebeurde natuurlijk ook weleens, zij het sporadisch, dat een eenling amok maakte in Sev en vervolgens van een koude kermis thuiskwam. In de tijd dat Jeanette Minnema en Jack Sohilait achter de bar stonden liep er zo’n type rond dat constant op voet van oorlog met de wereld leek te zijn. Hij uitte zijn ongenoegen door, naast links en rechts wat klanten, het personeel met hel en verdoemenis te dreigen. Dat was Cees ter ore gekomen en hij zei tegen de onverlaat dat deze niet langer welkom in zijn zaak was. De man nodigde Cees stante pede uit om dan maar mee naar buiten te gaan om de zaak te beslechten. Cees vertelde later dat hij dacht klappen te zullen krijgen, doch eenmaal op de hoek van de Pottenmarkt aangekomen hief de man zijn hand en liet die meteen weer zakken – Cees kreeg, wat hij zelf niet gezien had, rugdekking van een select gezelschap vaste klanten en daar dacht de man het zijne van. En die man kreeg, om verklaarbare redenen, de bijnaam De Dreigsuri – waarvan akte.

Sjors de Griek

Al vaak had ik hem in het voorbijgaan opgemerkt in de stad en gegroet, zoals dat eind jaren 60, begin jaren 70 voor langharigen te doen gebruikelijk was – de latere seksboekjesboer Peter J. Muller muntte in die tijd zelfs de slogan ‘Beter langharig dan kortzichtig’, en daar kon ik me wel in vinden. Enfin, op enig moment spraken we elkaar in Sev en hij bleek een Griek uit Piraeus te zijn die Yorgos Kyrmos heette, een achternaam die niemand daarna ooit nog gebezigd heeft. Sjors was zijn land ontvlucht, het kolonelsregime zat nog volop in het zadel, om de dienstplicht te ontlopen en had een Middelburgse aan de haak geslagen. Hij woonde tijdelijk, met vrouw en kind, in bij zijn schoonmoeder op de Noordweg en daar hebben we eens het brood gebroken, want aan het einde van de maaltijd diende je, naar Grieks gebruik, je bord met een stuk brood leeg te moppen. Hij leerde me de meest smerige woorden van zijn taal, die ik hier niet zal herhalen. Doch er was ook een woord, waarvan de betekenis me ontschoten is, dat klonk als ’Pauwtje’ en een soort subbijnaam annex groet werd. Cees begroette Sjors vaak met ‘Pauwtje’, wat andersom eveneens het geval was – bij navraag wist Cees er ook het fijne niet meer van. Sjors sprak inmiddels goed Nederlands en kon enorm ouwehoeren over de zin van het leven. Zo hebben we een keer na sluit op de stoep van de bank (het pand waar nu Brooklyn is) zitten praten en roken tot het al ruim licht was. Sjors speelde frequent doch tamelijk uitgenast op de gokkast – hij ging vooral ter kast als iemand er veel geld had ingegooid. Wanneer ik met vriend Herman naar The Pub ging zat hij ook weleens aan de pokertafel; kortom, een echte homo ludens. Toen een Middelburgse deerne een aantal maanden de hort op was, verschenen er grote stukken in de krant – Sjors zou daarbij betrokken zijn geweest, maar daar weet ik verder weinig van. In ieder geval dook ze na enige tijd weer op en danste de halve Rooie Buurt de Sirtaki van gedeelde vreugde. De laatste jaren dat hij in Middelburg woonde - inmiddels aan zijn derde vrouw toe - had Sjors een exporthandeltje, ik geloof in tweedehands wit- en bruingoed , wat blijkbaar een problematische draai nam, want plotseling verdween hij uit het straatbeeld - ‘Pauwtje’ was vooralsnog gevlogen.

Meneer de Graaf

In de jaren 80 kreeg Seventy regelmatig bezoek van een markante, al wat oudere heer. Hij was altijd hetzelfde gekleed: een blauw kostuum, wit overhemd met stropdas, donkere regenjas en een hoed. Verder had hij altijd een tas bij zich die zorgvuldig bewaakt werd. Het was meneer De Graaf (zo sprak iedereen hem na verloop van tijd ook aan) uit de Brakstraat die zijn woordenschat doorspekte met Duitse woorden. Naarmate er meer meer drank in de man ging nam zijn stemvolume navenant toe. "Ehrlig?" of "Immer" schalde het dan door de kroeg. In die tijd stond Irving Comijs achter de bar en die werd constant aangesproken met Ulrich. Meneer De Graaf was eigenlijk op z'n best wanneer hij een beetje aangeschoten begon te raken. Hij kon prachtig moppen vertellen en hield zijn publiek minutenlang in spanning tot dan eindelijk de clou eruit kwam - steevast beantwoord met gelach alom. Wanneer iemand het bestond om aan de bar in zijn neus te peuteren zei hij altijd: "Weet je, hij heeft jeuk op zijn hoofd en probeert van binnen uit te krabben". Als Meneer De Graaf flink had ingenomen, wat geen uitzondering was, bestelde hij altijd een taxi. Dat moest een zwarte zijn anders stuurde hij de wagen resoluut terug - een witte taxi daar trouwde je immers in. Op een onbewaakt moment heeft iemand eens in zijn tas gekeken en er bleken alleen maar 3 wekkers in te zitten. Meneer de Graaf was een raadselachtige man.

Louis Lebon

Een ander markant figuur was Louis (of Loe)Loet voor de kenners (P.N.S.)Lebon. Ik leerde hem en Bart Koster begin jaren 70 kennen toen we samen voor Gijs van Vlier werkten. Gijs had net de Gouden Poorte aan de Wagenaarstraat gekocht en dat pand moest rigoureus worden verbouwd. In de zomer waren Louis en Bart vaak naar het strand waar gezond werd bij Kon Tiki en natuurlijk ook gedronken. Ze hebben in Seventy nog wel eens met de broek op de knieën gestaan om uit te kunnen maken wie de bruinste benen had. Louis was vroeger schipper op de Rijnvaart geweest en verdiende nu zijn geld als huisschilder. Hij leek behoorlijk op Piet Veerman, de zanger van the Cats, en die gelijkenis probeerde hij veelvuldig in de kroeg te benutten bij het versieren van vrouwen. Als hij met een dame aan de praat raakte zei hij altijd dat hij hier incognito was en dat ze binnenkort weer een plaat gingen opnemen. Op een middag stonden we aan het begin van de bar - toen al de locatie der doorgewinterden - en Louis zag een vriendin aan komen waar hij even geen zin in had. Hij vroeg aan Cees Rijn, die achter de bar stond, wat hij nu moest doen. Cees zei dat hij op zijn hurken naast de vuilnisbak moest gaan zitten, ze zou toch wel zo weg zijn. Toen de bewuste vriendin binnenkwam en vroeg of Louis er was ontkende Cees dat natuurlijk, maar hij bood haar wel koffie aan - Louis zou immers zo terugkomen. Cees gaf haar nog een koffie en zo zat Louis een half uur gehurkt naast de vuilnisbak.

Mark van der Horst

Wie zeker niet in de stamhutgeschiedenis mag ontbreken is Mark van Horst, bijgenaamd Mark stok. Mark was een echte Hagenees en met dat typische accent muntte hij uitdrukkingen als 'Krijg nou tiete' en 'Mozes kriebel'. Hij speelde trompet en had de Haagse popscene van de jaren 60 en 70 goed gekend en was o.a. bevriend met Elco Gelling,ex-gitarist van Cuby & the Blizzards en teh Golden Earring(s). In de jaren 90 kreeg Mark een ernstig ongeluk de drukkerij waar hij werkte en kon hij niet meer lopen. Na een lang revalidatieproces kon hij weer, zij het met een stok, lopen en ging hij in Middelburg wonen. Mark dronk vrijwel alleen maar koffie en sterke drank. Hij introduceerde het woord 'puntje' (synoniem 'Jaquelientje') waarmee hij een halve borrel, bijna altijd tequila, bedoelde - hij moest immers nog rijden. We gingen ook weleens 'koffie met goddelijke cognac' drinken in De Vriendschap. Naarmate de jaren vorderden werd zijn gezondheid minder, kreeg hij hartproblemen die resulteerden in een zware hartaanval - in die tijd woonde Mark al samen met Angel Rijken. Enige maanden na de hartaanval gaf Mark (samen met Angel) een groot feest bij de kapel van Hoogelande simpelweg omdat hij nog leefde. Iedereen was er en bleef tot de laatste druppel. Dat feest kostte mij nog een aantal gebroken ribben door een dronken val op de Walcherseweg - we ( Caroline Passenier, Hartger Schoenmakers en ik) hielden op de terugreis een wielerkoers, vandaar. Mark had het vaak over het feit dat hij op geleende tijd leefde en dat je daarom het leven iedere dag moest genieten - carpe diem. Helaas is hij enige jaren geleden overleden en bij zijn begrafenis was iedereen er weer - 'Mozes kriebel' zou Mark ongetwijfeld hebben gezegd.

Ruud Henning

Ruud Henning ken ik al vanaf mijn kinderjaren op de Markt, waar zijn vader een fotozaak had. Hij beleefde zijn gouden tijd eind jaren 60 begin jaren 70. Toen werkte hij achter de bar in nogal wat tenten (o.a. Hof van Zeeland, het Pakhuis en TUM TUM in Vlissingen) en was hij, zoals men dat toen noemde, een hippe vogel. Nu was Ruud altijd al een meester in het vertellen van sterke verhalen, maar deze gave kreeg in de loop der jaren een tamelijk pathologisch karakter. Er is een wetenschappelijke term voor dit fenomeen, namelijk pseudologia fantastica, kort gezegd het zichzelf wijsmaken van bepaalde gebeurtenissen of zaken en die vervolgens voor waar- of werkelijkheid aannemen. Dit verschijnsel wordt prachtig beschreven in het verhaal The secret life of Walter Mitty van James Thurber - Ruud had het eens moeten lezen. Ruud had, als running gag, het verhaal dat hij eens een noodlanding had moeten maken - het vliegtuig was nauwelijks opgestegen en er bleek te weinig brandstof aan boord; de bestemming van de vlucht varieerde hij van Spanje tot Griekenland. Hij had ook eens een advertentie gelezen waarin stewards en hofmeesters werden gevraagd voor schepen die islandhopten in de Egeïsche Zee en vervolgens had hij een nieuwe baan. In de kroegen was het toen weken van: 'En Ruud, wanneer vertrek je naar Griekenland?'. Toch was het een goede gast, die graag meedeed wanneer er blufpoker (met dobbelstenen) of bamzaaien om een rondje werd gespeeld. Hij was ook zeer geïnteresseerd in cryptogrammen. In de jaren 80 werd vaak iedere zaterdag het cryptogram van zowel Volkskrant als NRC en groupe opgelost. Connie de Lange deed vaak mee, Chris Ludekuse, ene Joop (die iedereen vervolgens Joop Crypto noemde) en anderen. Ruud kwam er dan ook gezellig bijzitten, volgde nauwkeurig de vorderingen en opperde af en toe een oplossing. Wanneer het cryptogram was opgelost vertrok Ruud en liep hij naar The Duke aan de Vlasmarkt waar hij, schijnbaar achteloos, in 5 minuten datzelfde cryptogram oploste - het was een bijzonder kind.

Willem Vaag

De geschiedenis van Willem Vaag is geen mooie - althans voor degenen die van een happy end houden - maar toch te te bizar om niet te vertellen. Begin jaren 80 frequenteerde (nou ja, hij was er een periode eigenlijk iedere dag) een zekere Willem de kroeg en deze Willem vroeg van meet af aan constant veel aandacht. Nu zou men wellicht de diagnose 'bipolaire stoornis' of 'borderline', maar ach, toen werd zo iemand gewoon vaag genoemd - vandaar de bijnaam. Hij zei dat hij in de verte familie was van Ruud Henning, maar die kon dit niet beamen - Ruud zei dat het dan wel erg ver in de verte zou zijn. Willem was altijd druk in gesprek met iedereen over allerlei zaken en soms was hij vergezeld van twee zeg maar gelijkgestemden (ook vage jongens dus) die aan tafel 1 de toestand in de wereld bespraken. Op een gegeven moment zei Willem, die altijd om geld verlegen zat, dat hij zich wel kaal wilde laten scheren tegen een bepaalde vergoeding. Enfin, ik geloof dat hij er 100 piek voor kreeg, maar op zekere dag werd Willem bij tafel 1 door Gijs van Vlier kaalgeschoren - een foto hiervan is te zien bij Seventy_Seven/foto's. Achteraf gezien had deze gebeurtenis beter niet kunnen plaatshebben en had Willem tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen. Toen lachte iedereen (Willem incluis) erom, maar tegelijkertijd had het ook iets verkeerds, iets macabers. Enige maanden later dat jaar maakte Willen een einde aan zijn leven.

Kleine Adje

Midden jaren 70 kwam hij vaak in de kroeg, een klein ventje dat nauwelijks boven de bar uit kwam en Ad heette - een bijnaam was snel gevonden. Hij was altijd netjes gekloft en zelfs als het licht miezerde droeg hij een regenjas waarvan de ceintuur bijna net zo breed leek als Adje lang was. Hij dronk altijd een kleintje (echt waar) pils, wat in die tijd zeer in de mode was - het kostte trouwens ook nog een stuiver minder dan een grote. Adje was wat moeilijk verstaanbaar, hij praatte een beetje binnensmonds, maar Lies vertrouwde hij meerdere malen toe dat hij wel een goeie was. Hij werd spraakzamer naarmate de kleintjes vorderden en als hij het echt naar zijn zin had haalde hij zijn mondharmonica tevoorschijn en speelde 'De klok van Arnemuiden' - iedereen zong mee en Adje kreeg kleintjes bij de vleet. Uit die tijd stamt ook het, wellicht apocriefe, verhaal dat hij, hoe klein hij ook mocht zijn, in het urinoir twee handen nodig had - kleine mannen, grote Jannen. Het mooiste verhaal dat ik hoorde is echter waar gebeurd - althans volgens een ooggetuige. Adje liep 's nachts, op weg naar huis, door een straat waar een krant uit een brievenbus stak. Hij keek even om zich heen of er niemand in de buurt was, voelde wellicht het belhamelbloed weer door de aderen stromen en stak toen de krant aan. Misschien kreeg hij even later spijt of voorzag hij catastrofale gevolgen, want, nogmaals volgens de ooggetuige, even later probeerde hij uit alle macht het vuurtje uit te pissen en speelde hij tegelijkertijd 'Brand in Mokum' op zijn mondharmonica - dat van die mondharmonica betreft helaas dichterlijke vrijheid, maar het had zo mooi kunnen zijn, zo kleine Adje ten top.

Eef van de Velde

Begin jaren 70 leerde ik Eef van de Velde kennen in Seventy Seven - een Indische jongen, lasser van beroep, die op een Harley Davidson reed en voor niets en niemand bang was. In die tijd leek de Pottenmarkt wel een speeltuin, de straat was opgebroken en ‘onder het plaveisel lag het strand’; die slogan sierde eind jaren 60 vele Parijse muren tijdens de Meirevolutie. Willem Vreeke zat in San Remo Bar en die ging maar een uur per etmaal dicht dus het feest hield nooit op. We haalden wel eens stevig door en kwamen meer dan eens in 't Pakhuis terecht of anders bij de Belgische Loodsensociëteit in Vlissingen. Terug in Middelburg om een uur of 6 haalden we dan warme broodjes of croissants bij een bakker (bij sommigen kon je gewoon aankloppen) of we gingen naar Kanaalzicht waar de morgen net op gang kwam. Hij kon ook altijd zo onbedaarlijk uitbundig lachen bij een geslaagde grap of stomme opmerking van deze of gene, wat in het ochtendritueel van de Reutel schering en inslag was. Eef woonde in die tijd samen in de Vlissingsestraat, maar zijn relatie had niet echt meer de adem van het grote. We waren een keer in Sev toen ze belde of Eef aanwezig was, wat natuurlijk ontkend werd, maar Eef verwachtte dat ze dat toch ter plekke zou komen controleren. Nu was in die tijd de ingang waar nu het rookhok is en achter de ‘binnendeur’, bij de kapstok, hing een zwaar tochtgordijn. Het was bij het gordijn dat Eef positie koos en toen zij, zoals voorspeld, even later het gordijn opzij schoof en binnenkwam, schoof Eef langs de andere kant naar buiten – zo heeft hij nog enige tijd tot veler vermaak verstoppertje gespeeld. Na menig komisch intermezzo leerde Eef Magda kennen en kwam hij in rustiger vaarwater terecht, zeker toen ze twee zonen kregen. Eef scharrelde zijn kostje wel bij elkaar, hij handelde in antiek en curiosa, stond op rommelmarkten – waar hij soms meer kocht dan verkocht – en na een tijd trad hij een vaste dienst bij de penitentiaire inrichting ‘Torentijd’, waar hij tot zijn pensionering werkzaam bleef. Ik zag hem de laatste jaren vaak als fietsenmaker in de weer aan de Poelendaeleweg waar hij een garage had – hij woonde net om de hoek. Vaak hadden we dan een praatje over vroeger, maar die praatjes moet ik helaas missen sinds Eef kort geleden overleed – maar soms, langs die garage lopend, hoor ik hem nog weleens lachen.

Mr. X

Iemand schreef ooit eens dat personen - hoewel door een bloedlijn verbonden - soms zo oud zijn dat ze bijna niet meer als familie kunnen worden beschouwd. Dit verhaal gaat over zo'n persoon, die ik, voor de zekerheid, toch maar Mr. X. zal noemen. In een vorig leven was hij bladenman, maar hij werd uiteindelijk ontslagen omdat hij de bladen i.p.v in de bus meermaals in de sloot gooide - een gegeven dat zijn schaduw vooruit wierp. Mr. X. had in die tijd last van omstandige dorst en op een zomeravond besloot hij in Sev uit dronken balorigheid de kleren die hij aan had te verkopen. Naarmate de avond vorderde en de alcohol vloeide evolueerde zijn staat van gekleedheid tot een punt waarop hij nog slechts gehuld was in een bierglas - althans een bepaald deel van zijn lichaam. Hij zat op het terras zijn laatst verdiende geld te verdrinken toen de vader van een meisje dat vaak in de kroeg kwam besloot te controleren of zijn dochter aanwezig was. De man hoedde hardnekkig de kuisheid van zijn dochter en stond tamelijk frequent verdekt opgesteld in de nabije omgeving om te observeren hoe zaken wel of niet in elkaar staken. Die bewuste avond trad hij dus uit de schaduw van zijn achterdocht en werd direct beloond met de aanblik van Mr. X. in summier badkostuum. Het meisje - voorbereid op zulk manifest vaderschap - had zich in de keuken verstopt toen hij de kroeg binnenkwam. Mr. X. keek hem aan en vroeg, niet in het minst besmuikt, op de hem kenmerkende lijzige toon of hij wellicht geïnteresseerd was in de hem nog restende kleding, alles was immers te koop. Soms hebben verhalen een happy end, dat van Mr. X. in ieder geval wel, want na een intense kroegperiode bekeerde hij zich tot het frituurwezen en had hij tot voor enige jaren een succesvolle friteszaak op Walcheren waar hij de clientèle in een kraakheldere stofjas tegemoet trad - het kan verkeren.

Erik Engerd

Rooie Hedwig had begin jaren 70 samen met Ronnie de Neger een winkeltje in het Domburgs Schuitvlot dat, schatplichtig aan Jimi Hendrix, Purple Haze heette. Je kon er naast allerlei Indiase parafernalia tevens diverse soorten jointvloei – rizla voor gevorderden – kopen en onder de toonbank hasj. Toen de relatie van Hedwig en Ronnie stukliep, begon ze een nieuwe met ene Erik G. en vanaf dat moment zette zich een achtbaan van gebeurtenissen in gang die zijn weerga niet kent. Erik en alcohol vormde een problematische combinatie die leidde tot losse handjes en, daar hij behoorlijk potig en sterk was, matpartijen in de kroeg. Om die reden maakte Ad van de Woestijne op enig moment met hem dan ook de afspraak dat alcohol in Seventy Seven voor Erik taboe was. En het gebeurde in die dagen dat Erik na een periode op staatskosten te hebben doorgebracht ’s morgens vroeg al stevig aan de boose zat in De Vriendschap . Cees had dat gezien en was dus al enigszins op zijn hoede toen Erik, die toen zijn achternaam Engerd al ruimschoots verdiend had, Sev binnenstapte. Erik bestelde een koffie, een cola en een bier. Cees zette de bestelling neer in de veronderstelling dat het bier voor een van de andere aanwezigen bestemd was. Toen Erik echter naar zijn bier greep, pakte Cees het glas en gooide het leeg in de spoelbak met de mededeling dat er toch een afspraak was gemaakt. Erik zei dat hij het dan zelf wel zou pakken, wat hij deed en vervolgens ging hij demonstratief achterin staan. Cees belde de politie, maar het duurde lang voor die kwam, te lang voor Erik die plots langzaam naar voren liep en tegelijkertijd gooide hij met de asbakken, die toen nog op de bar stonden, een hele rij flessen sterke drank aan diggelen. Hij stopte ter hoogte van de gokkast, daar zat Rudi Parinussa aan de bar en die bleef gewoon zitten, wat wellicht de redding van de geluidsinstallatie betekende. Erik verliet de kroeg, kaapte een auto, slingerde zich een weg door de Lange Delft en over de Dam en ramde nog een andere auto de majem in op de Rotterdamse Kaai. De achtbaan eindigde op de Veerseweg, waar hij bij Garage Dijkwel uit de bocht vloog. Een aantal monteurs – zwaar bewapend met Engelse sleutels etc – heeft hem ingerekend – daar had die engerd niet van terug.

Piet Bril


Op 29 oktober 2020 overleed Piet van der Burgh op 65-jarige leeftijd. Hij was een stamgast van Seventy-Seven.

Ach, Piet!

Maandag kreeg ik het verdrietige bericht dat Piet van der Burgh vorige week op 65-jarige leeftijd is overleden, na een half jaar van strijd tegen een slopende ziekte.

Ik zou overdrijven als ik zou beweren dat ik Piet heel goéd kende. Het feit dat ik niet meteen wist wie er bedoeld werd in het bericht zegt misschien al genoeg. Ik, en met mij vele anderen uit het Middelburgse uitgaansleven, kende Piet alleen bij zijn bijnaam: Piet Bril. Er waren ook mensen die hem ‘Piet amanuensis’ noemden, naar zijn werk bij de CSW, het werk waar hij zoveel van hield.

Maar ik kende Piet wél al heel lang. Toen ik halverwege de jaren tachtig voor het eerst naar het café ging was hij er al jaren een bekende verschijning. Toen ik in de jaren negentig zelf barman werd leerde ik hem wat beter kennen. Piet kon zijn buien hebben, en zich soms afzonderen van de andere klanten in de zaak, maar hij was altijd in voor een praatje. Met hem kletste ik echt over van alles en nog wat, al vertelde hij over zijn privéleven nooit zo veel.

Aanvankelijk dacht ik dat Piet vooral een stamgast was van Seventy-Seven, maar toen ik aan de slag ging met Middelburg Dronk ontdekte ik al snel dat hij gezien was in vele zaken. Je ziet hem bijvoorbeeld ook op oude foto’s van het voormalige café De Klos aan de Vlasmarkt. Later begreep ik dat hij ook graag in café De Geere kwam en de laatste jaren zelfs wel eens in de Hoppit in Vlissingen, omdat hij werkzaam was bij CSW Bestevaer in die stad.

De laatste keer dat ik hem sprak moet ergens eind vorig jaar geweest zijn, in Bar American. Ook dáár kwam hij regelmatig. Het was een heel leuk gesprek, waarin Piet honderduit vertelde over allerlei figuren en dwarsverbanden binnen de Middelburgse horeca in de jaren zeventig en tachtig. Het was dusdanig veel informatie dat ik hem die middag herhaaldelijk vroeg of hij niet te porren was voor een portret, waarin hij zijn kennis van de lokale horecageschiedenis zou delen. Ik zag aan Piet dat hij het waardeerde dat ik het vroeg, maar hij hapte niet toe. Piet hoefde niet zo nodig in het middelpunt van de belangstelling te staan.

Waarom nu dan toch een laatste groet? Omdat ik vind dat Piet het verdient. Meer dan veertig jaar lang in het uitgaansleven van de stad: dat is nogal wat. Voor mijn gevoel is hiermee weer een van de iconen van de generatie kroegliefhebbers voor mij verdwenen.

Ik wens de zussen en andere nabestaanden veel sterkte met dit verlies.

En Piet zelf? Die dank ik voor al die gesprekken van ooit.

Rust in vrede kerel!

Invallen voor Jan Boone

Willem Boot vertelt: "Er zijn behoorlijk wat kroegen die ik bezocht heb in de loop der jaren maar 77 is een soort thuis, alles klopt: het heeft geleefd en leeft nog, de vaste gasten en het nieuwe grut dat z’n schreden zet in het nachtleven. Wat er wel degelijk mee te maken heeft is dat ik een kleine 2 jaar schoonmaker was op zaterdag en in oktober wat meer als Jan op vakantie was. Je gaat van zo’n kroeg houden je ziet met het schoonmaken toch wel eens details die je als klant minder snel opmerkt, ik vond het heerlijk en mis het wel eens. In het voorjaar en zomer werkte ik ook nog bij tuincentrum Adriaanse dus begon ik wel eens om een uur of 04:00. Een prachtig zicht om de laatste natnekken uit de oren (Rooie Oortjes, E.) naar huis te zien gaan en rond 07:00 de mensen die aan het werk moesten ook voorbij te zien komen."
Zwerver Louwerse
Zo was ik op een morgen de slotjes aan het verwijderen van het terras, Louwerse kwam in de verte aangesteggeld met een in zijn kielzog een donkere man, het was me opgevallen dat die twee al een langere tijd met elkaar optrokken. Het was een beetje diezig die morgen en ze kwamen dichterbij. Ik besloot te vragen of ze honger hadden. Een bevestigend antwoord, ik maak wel een tosti voor je. “Dank je, dat is wel lekker wat warms op deze morgen. Als meer mensen dat deden had ik geen pillen hoeven halen voor m’n maatje (’t kwam erop neer dat ze wel eens wat uit een vuilnisbak haalden).
Als de drank is in de man Het was weer een vroege morgen en ik stond wat te vegen in de serren en zag een man voorbijlopen. Ik dacht stik de moord, oren zijn dicht 77 ook. Dus verder met de schoonmaakwerkzaamheden afwas e.d. Tegen een uur of 05:00 weer dezelfde vent of er toevallig een tas staat. Dat klopte dus besloot de kerel binnen te laten. Gast was de gebeurtenissen van z’n avond deels kwijt en blij dat hij weer warm binnen was. Ik besloot te bellen voor een taxi maar 0 op het request. Dus hij belde z’n vriendin maar. Hij hielp wat mee met de schoonmaak voor zover het ging, 06:00 z’n vriendin. Bleek dat die vent een baby thuis had en dat het niet de eerste keer was in deze toestand. Wie is er nu zieliger, die kerel of z’n vrouw?
Branddeur
Het is algemeen bekend dat de deuren van 77 beklad zijn, nu vond ik zelf die plakkende deur naar de keuken behoorlijk vervelend als je met de afwas naar achteren moest. Deze plakte namelijk nogal van de nicotine. Ik was het beu en besloot ‘m eens lekker schoon te maken met jif, de deur werd zowaar grijs. Bob moest openen, ik zei “wat vind je van de deur”? Goh heeft Cees er een nieuwe in laten zetten. Achteraf bleken de meningen over de schoongemaakte deur verdeeld te zijn, Ivo vond het prachtig anderen vonden dat er geschiedenis weggewist was. Allemaal waar, dacht ik, maar die deur plakt niet meer. Heb toch maar besloten om de deuren niet meer schoon te maken.

Daan Bruinooge

Bij het overlijden van Daan Bruinooge sprak oud-eigenaar Ad van de Woestijne de aanwezigen toe. Hij haalde daarbij ook herinneringen op aan het horecaverleden. Over Daan zei hij onder meer:
"Van zijn spaarcentjes kocht hij LunchRoom Atlanta (in Vlissingen) en zwaaide daar, toen al op geheel eigen wijze, de scepter. Hij verkocht de lekkerste, eigen gemaakte broodjes crabsalade van heel Zeeland. Mij had ie overgenomen met de goodwill en inventaris van dit, later nationaal bekende, etablissement voor zeevaartscholieren, die toen nog blikken werden genoemd. Het woordje lunchroom werd vervangen door café."
[...]
"Een ander, heel duidelijk, voorbeeld was het feit dat zijn vaste personeel de kans kreeg zelfstandig ondernemer te worden. Rob de Groot nam Atlanta over, Turry Turnim werd bedrijfsleider in discotheek TUM TUM in de Walstraat en voor mij kocht hij café De Koophandel in Middelburg en verbouwde dit bruine café tot een discotheek met de naam Seventy Seven, daar begon mijn carriere als horecaondernemer, later vormden we een VOF en kochten ook het Beursgebouw en café de Concurrent erbij."

  • "Het publiek in Seventy Seven houdt van bier uit flesjes. Op een zaterdagavond gaan er wel vijftig kratjes doorheen.", aldus de PZC, in 2007.

Bronnen